Post 1965 recreatiegebieden
VRAAG | Naoorlogse recreatiegebieden in beeld brengen
Staatsbosbeheer vroeg, gefinancierd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) vanuit het Programma Erfgoed en Ruimte (2017-2018), om het stelsel van naoorlogse stedelijke recreatiegebieden in West-Nederland te duiden: hoe zijn ze ontstaan, welke waarde en welk gebruik hebben ze nu, en welke toekomst is denkbaar? Specifieke aandacht ging naar vier focusgebieden: het Waterlandse Bos (Almere), Purmerbos (Purmerend), Abtswoudse Bos (Midden-Delfland) en Nieuw Wulven (Houten/Bunnik).
Staatsbosbeheer besteedde het onderzoek uit aan Vereniging Deltametropool, in samenwerking met Urban Synergy, als onderdeel van het programma Groene Metropool.
Categorieën:
Landschap, Recreatie, Onderzoek
Waar:
West-Nederland (o.a. Almere, Purmerend, Midden-Delfland, Houten)
Opdrachtgever:
Staatsbosbeheer, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Team:
Urban Synergy, Vereniging Deltametropool en Sjoerd Cusveller
Externe adviseurs:
Marten Meijers (Ministerie van LNV), Eric-Jan Pleijster (Lola landscape architects), Miranda Reitsma (Miranda Reitsma Stedebouw)
WAAROM | Groen als noodzakelijke voorwaarde voor de stad
Natuur in en om de stad levert directe voordelen op: er kan gewandeld, gefietst en gezeten worden, het gebied vangt en bergt water, verlaagt de temperatuur in hete zomers en vangt fijnstof af. Staatsbosbeheer richt zich daarom steeds meer op het beheer van stedelijk groen en beschouwt een goed functionerend groen netwerk als een nutsvoorziening waar bewoners recht op hebben.
Deze gebieden zijn niet toevallig ontstaan, maar aangelegd vanuit drie opeenvolgende beleidsprogramma’s: de Groene Sterren (vanaf 1965, als bufferzones tegen het aaneengroeien van steden), de Randstadgroenstructuur (vanaf 1985, multifunctionele landinrichting)
en Recreatie om de Stad (vanaf de jaren 2000, als inhaalslag aan de stadsranden). Het rijksrecreatiebeleid stopte in 2010, waarna beheer en inrichting grotendeels naar de provincies verschoven, met bezuinigingen als gevolg.
Na vijftig jaar is een herijking op zijn plaats: de recreant is diverser geworden, verstedelijking en klimaatverandering leggen nieuwe druk op de ruimte, en essentaksterfte dwingt tot omvormingsopgaven. Tegelijk groeit het besef dat deze gebieden een steeds belangrijkere voorwaarde zijn voor het welzijn en de welvaart van Nederland.
HOE | Kaartanalyse, gebruikersonderzoek en een expertworkshop
Het onderzoek combineert meerdere methoden. Een historische en beleidsmatige analyse brengt de totstandkoming van het stelsel in kaart en resulteert in een uitgebreide tijdlijn. Een ruimtelijke kaartanalyse van alle Post 65-gebieden laat het verzorgingsgebied, de regionale bereikbaarheid en het landschapstype per gebied zien; zo blijkt dat gemiddeld 3,03 miljoen inwoners binnen 15 minuten fietsen van deze gebieden wonen.
Voor de vier focusgebieden is daarnaast een cultuurhistorische plananalyse gemaakt van ontwerp, aanleg en gebruik door de jaren heen, aangevuld met
kwalitatief gebruikersonderzoek: interviews met bezoekers, beheerders en betrokkenen ter plekke, onder meer in Almeerderhout en het Abtswoudse Bos.
Om tot toekomstperspectieven te komen is een workshop met experts en betrokkenen georganiseerd, en in de vier focusgebieden is een fotowedstrijd gehouden waarvan de inzendingen in de publicatie zijn opgenomen.
Externe adviseurs, verbonden aan het Ministerie van LNV en aan een landschapsarchitecten- en een stedenbouwkundig bureau, hebben het onderzoek en de conclusies getoetst.
WAT | Bevindingen, toekomstperspectieven en aanbevelingen per gebied
Als succesfactoren voor gewaardeerde recreatiegebieden blijken schaal, ligging, uniciteit, bereikbaarheid en ontwerp bepalend. De vier focusgebieden vormen samen een nieuw, deels ondergewaardeerd genre dat de onderzoekers het ‘Polderbos’ noemen: bos aangelegd in een oorspronkelijk niet-bosrijk polderlandschap, ontworpen vanuit de bestaande kavelsloten en met een lange groeitijd als expliciet ontwerpprincipe.
Voor de toekomst zijn drie generieke perspectieven ontwikkeld. Het Stadsbos is de achtertuin van het woonlandschap, met ruimte voor activiteiten en fijnmazige stad-landverbindingen. Het Nutsbos is een voorportaal van het cultuurlandschap, militair of productief, met een eigen verdienmodel. Het Oerbos is onderdeel van de deltanatuur, met beperkt comfort en ruimte voor natuurlijke processen, gefinancierd uit ecosysteemdiensten zoals CO2-vastlegging.
Op basis van de biografieën en het gebruikersonderzoek volgen concrete, gebiedsspecifieke aanbevelingen: het Waterlandse Bos als rustig wandelbos zonder extra voorzieningen, het Purmerbos als tweedeling tussen een noordelijk stadsbos en een zuidelijk deel dat vooral tijd nodig heeft om te herstellen, het Abtswoudse Bos opgedeeld in drie delen met elk een eigen toekomstrichting, en Nieuw Wulven als zuidelijk toegangsportaal van het cultuurlandschap rond de Nieuwe Hollandse Waterlinie, met een sterker historisch verhaal.
Het onderzoek resulteert in een rapport van 140 pagina’s, met een tijdlijnposter van de Post 65-recreatiegebieden.
RESULTAAT
“Natuur om de hoek” duidt voor het eerst het volledige stelsel van naoorlogse stedelijke recreatiegebieden in West-Nederland en biedt Staatsbosbeheer, de RCE en andere partijen een gedegen basis om deze gebieden gericht door te ontwikkelen. Een belangrijke conclusie is dat de focusgebieden een spanningsveld kennen tussen hun waarde als collectieve voorziening en hun huidige, meer ‘parochiale’ betekenis voor specifieke gebruikersgroepen.
De relevantie is na publicatie alleen maar toegenomen: tijdens de coronacrisis bleek de kwaliteit van de directe leefomgeving nog urgenter dan voorzien.
Het onderzoeksrapport en de tijdlijnposter zijn te downloaden via onderstaande link naar de publicatiepagina van Vereniging Deltametropool:
Natuur om de hoek - Vereniging Deltametropool